Basisbegrippen van de propagatievoorspelling [link budget].
- Overheersende ruisbron [bandruis tov ontvangerruis].
- Minimaal benodigde signaal-ruisverhouding.
- Minimaal benodigde ontvangen signaalvermogen.
- Trajectverliezen.
- Antennewinst.
- Transmissielijnverlies.
- Minimaal benodigs zendvermogen.
x  = verlies
f   = frequentie
R = radius, de afstand in Km
Minimaal benodigde signaal-ruisverhouding.
Om een signaal te ontvangen moet het uiteindelijk hoorbaar zijn.
Dat is zo als het ontvangen signaal groter is dan de totale ruis (ok die van de ontvanger zelf), met een marge van 10dB.
Minimaal benodigd ontvangen signaalvermogen.
Om de ontvangen ruis te minimaliseren wordt een zo smal mogelijk filter gekozen, want alle ruis die niet ontvangen wordt heb je ook geen last van.
Om te zien wat het vermogen is wat een signaal moet hebben bij ontvangst kijken we naar de gevoeligheid van de ontvanger.
Hierbij gebruiken we de standaard vermogensformule   P=U
2/R, met R=50Ω.
Als dus de gevoeligheid van een ontvanger 0.2
μV is, dan is het minimaal benodigde vermogen P = (0.2*10-6)2/50=0.8*10-16 W.

Trajectverliezen.
De verzwakking als gevolg van afstand en frequentie kan uitgerekend worden met de volgende formule:
Een verdubbeling van de afstand of een verdubbeling van de frequentie geven dus een verzwakking van 6dB (factor 4) extra.
De verzwakking neemt dus kwadratisch toe.

Een verdubbeling van de afstand of een verdubbeling van de frequentie  geven een halve S=meter uitslag.

Antennewinst.
Bij trajectverliezen wordt altijd uitgegaan van een theoretische en ideale antenne, de isotopen straler.
De antennewinst is de mate waarin een antenne in de hoofdrichting meer vermogen uitstraalt dan de isotopen straler.
Transmissielijnverlies.
Ook een transmissieljn is niet verliesvrij.
De verliezen hiervan worden meestal uitgedrukt in dB bij een lengte van 100m op een bepaalde frequentie.
Ook deze moeten meegerekend worden.

Minimaal benodigd zendvermogen.
Bepalen met hoeveel vermogen een zender moet zenden om net hoorbaar te zijn bij een ontvanger.
Hiervoor berekenen we eerst het minimale vermogen dat de ontvanger nodig heeft en schatten in hoeveel dB het gewenste signaal sterker moet zijn dan de externe ruisbronnen (meestal 40d) en trekken daar alle verliezen (transmissielijn, propagatie/traject) van af en tellen de winsten (antennes) er bij op.
Door nu het minimaal benodigde ontvangstvermogen te vermenigvuldigen met de totale winst/verlies weten we het vermogen dat de ander moet maken.
vragen >>>
07 01 001 2 Signaalverzwakking, signaalruisverhouding-Zichtbereikverbinding     20200524

.