001
Welke waarde heeft de weerstand?
002 

Als van een condensator van 200 pF de mogelijke waarde ligt tussen 190 en 210 pF
Wat is dan de tolerantie?
003
Variabele condensatoren worden gevormd door twee geleiders met daartussen een dielectricum

Een vaak toegepast dielectricum is
a   lucht
b   aluminiumoxide
c   electrolyt
004

De condensatoren C22 en C24 zijn

a   luchtcondensatoren
b   keramische condensatoren
c   elektrolytische condensatoren
d   polyestercondensatoren
005

In de schakeling wordt ipv een transistor met een stroomverserkingsfaktor hfe=100 een tansistor toegepast met een hfe =50
wat is het gevolg?
a   de spanningsversterking wordt veel grote
b   de spanningsversterking wordt veel kleiner
c   de schakeling zal niet meer werken
d   de spanningsversterking blijft ongeveer gelijk
006

De ingangsimpedantie bij 1 KHz wordt hoofdzakelijk bepaald door de:

a   externe source weerstand
b   instellingen ven de fet
c   externe drain weerstand
d   externe weerstand tussen gate en aarde
007

Ib is 200 uA  en Ie is 18 mA

De collectorstroom IC is
a   18.2 mA
b   20    mA
c   18    mA
d   17.8 mA
008

Als van een elektronenbuis een gegeven wordt uitgedrukt in een aantal mA/V
dan heeft dat betrekking op de

a   steilheid
b   versterkingsfactor
c   inwendige weerstand
d   ingangsweerstand
009

Ingang Y kan zowel logisch 1 als logisch 0 zijn
Uitgang Q is
a   1
b   Y
c   niet-Y
d   0
010
Deze schakeling functioneerd als een

a   D- flipflop
b   een exclusieve OF-poort [EXOR]
c   opteller [full adder]
d   tweedeler
011

R1 en R2

a     verzorgen de werkpuntinstelling van Q1
b     dienen voor de juiste aanpassing van microfoon M
c     dienen voor de tegenkoppeling van Q1
d     vormen een laagdoorlaatfilter met C1
012

C5 , C10 en C12

a   ontkoppelen de hoogfrequent signalen van de voedingslijn V+ naar aarde
b   vormen met respectievelijk L1 , L3 en rfc4 hoogdoorlaatfilters
c   zijn de afstemcondensatoren van de resonantiekringen
d   voorkomen brom op de modulatie van de stuurtrap
013

Transformator T2 dient voor het

a   aanpassen van de antenne
b   verkrijgen van de juiste voedingsspanning
c   aanpassen aan de luidpreker-impedantie
d   opwekken van de BFO-spanning
014

De wisselspanning tussen X en Y = 10 Veff
De spanning {onbelast} tussen P en Q is ongeveer

a   0   V
b   14 V
c   20 V
d   28 V
015

Een in enkele laag gewikkelde spoel wordt vervangen door een spoel die 10% langer is.
De overige eigenschappen [aantal windingen, diameter, kernmateriaal] blijven gelijk
De zelfinductie is nu

a   20% groter
b   ongewijzigd
c   10% groter
d   kleinder
016

Om licht te kunnen geven dient een LED te werken in

a   met een spanning van ca 0.7 V
b  in de doorlaatrichting
c   in de sperrichting
d   met inductieve voorspanning
017

De "Oervorm" van een NPN-transistor is de "twee-dioden" schakeling in

a   schakeling 3
b   schakeling 4
c   schakeling 1
d   schakeling 2
018

De uitgangsspanning Uuit van de schakeling met een SI-transistor is ongeveer

a   5.6 V
b   8.4 V
c   6.2 V
d   5.0 V
019

Als een NPN-transistor in klasse C ingesteld en er is geen inganganssignaal aanwezig dan

a   is het spanningsverschil tussen collector en emittor minimaal
b   loopt er maximale stroom van collector naar emittor
c   loopt er maximale basisstroom
d   loopt er geen stroom van collector naar emittor
020

Deze schakeling heeft een

a   NOF-functie
b   Of-funtie
c   NEN-functie
d   EN-functie
021

Deze schakeling kan gezien worden als

a   NOF-poort [NOR]
b   Of-poort
c   NEN-poort [NAND]
d   EN-poort
022

De mogelijke waarde van een 200 Ohm weerstand met een tolerantie van 5 procent ligt tussen

a   180 en 220 Ohm
b   190 en 210 Ohm
c   195 en 205 Ohm
023

De kleurcode voor een weerstand van 4700 Ohm

a   geel - violet - rood - zilver
b   oranje - blauw -bruin - goud
c   geel - blauw - oranje - zilver
024

De eenheid van zelfinductie is

a   Ohm
b   Henry
c   Farad
025

Een van deze toepassingen van een transformator is niet juist

a   wijzigen van wisselspanning
b   versterken van vermogen
c   aanpassen van antenne aan kabel
026

Om wisselspanning om te zetten in een gelijkspanning gebruikt men

a   filter
b   transformator
c   diode
027

Een kenmerkende eigenschap van een zenerdiode is

a   sterk toenemende stroom boven een bekende spanning in de sperrichting
b   hoge weerstand in de doorlaatrichting
c   sterke lichtgevoeligheid in de sperrichting
028

De meter wijst 100uA aan
Ie = 20 mA
Hoe groot is Ic?
029

Bij een Id = 4 mA en een Ugs = -3 V behoort een sourse-weerstand Rs van

a   3K Ohm
b   375 Ohm
c   750 Ohm
d   1K Ohm
030

De frequentiestabiliteit van een oscillator met een FET kan worden verbeterd door:

a   De gate-spanning te verkleinen
b   de gate-impadantie te verhogen
c   het afknijppunt te verleggen
d   de temparatuurvariaties te verkleinen
031

Wanneer van een triode de roosterspanning meer negatief wordt gemaakt ten opzichte van de kathode, zal de:

a   anodespanning afnemen
b   anaodestroom afnemen
c   roosterstroon toenemen
d   anodestroom toenemen
032

De uitgangsspanning Uuit van de schakeling met een siliciumtransistor is ongeveer:

a   8.4 V
b   6.2 V
c   5.6 V
d   5.0 V
033

Juist is:

a   X = 1 en Y = 0
b   X = 0 en Y = 0
c   X = 1 en Y = 1
d   X = 0 en Y = 1
034

De versterking van de schakeling is

a   10
b   0.1
c   1000
d   11
035

Ingang P kan 0 of 1 zijn
Juist is

a   x = 0   y = 0
b   x = 1   y = 1
c   x = 0   y = 1
d   x = 1   y = 0
036

Y gaat van 0 naar 1
Q ??
a   blijft 0
b   gaat van 0 naar 1
c   gaat van 1 naar 0
d   blijft 1
037

Ingang Y kan 1 of 0 zijn
Q= dan

a   niet-Y
b   1
c   Y
d   0 
038

Juist is

a   X = 1   Y = 0
b   X = 1   Y = 1
c   X = 0   Y = 0
d   X = 0   Y = 1
039

Stelling 1
De anode-roostercapaciteit van een triode is veel kleinder dan van een penthode
Stelling 2
De electronenstroom in een triode loopt van rooster naar anode
wat is goed?

a   alleen stelling 1
b   alleen stelling 2
c   beide stellingen
d   geen enkele stelling
040

De spanning over de weerstand Rc is

a   0.2 V
b   20 V
c   9.8 V
d   19.8 V
041

De lekstroom van een diode

a   neemt toe bij temperatuurverhoging
b   neemt af bij temperatuurverhoging
c   is niet afhankelijk van de temperatuur
d   is alleen afhankelijk van de spanning
042

Stelling 1
De anodestroom van een triode is afhankelijk van de roosterspanning
Stelling 2
De anodestroom van een triode is afhankelijk van de anodespanning
Wat is waar

a   alleen stelling 2
b   stelling 1 en 2
c   alleen stelling 1
d   geen van de stellingen
043

De "Oervorm" van een NPN-transistor is de "twee-dioden" schakeling in

a   schakeling 1
b   schakeling 2
c   schakeling 3
d   schakeling 4
044

Juist is

a   X = 0  en  Y = 0
b   X = 1  en  Y = 0
c   X = 0  en  Y = 1
d   X = 1  en  Y = 1
045

Voor de uitgang Q geldt

a   tabel 2
b   tabel 1
c   tabel 4
d   tabel 3
046

Om een gestabiliseerde spanning op punt P te verkrijgen moet punt 1 worden doorverbonden met

a   punt 3
b   punt 5
c   punt 2
d   punt 4
047

In deze schakeling wordt in plaats van een transistor met een stroomversterkingsfgactor Hfe = 100 ,
een transistor toegepast met een Hfe =50
Wat is het gevolg?

a   de spanningsversterking wordt veel groter
b   de schakeling zal niet meer werken
c   de spanningsversterking wordt veel kleinder
d   de spanningsversterking blijft ongeveer gelijk
048

Een veel voorkomende spanning en stroom van een LED zijn

a   5V // 60 mA
b   1.7 V // 20 mA
c   60 V // 20 mA
d   0.7 V // 60 mA
049

Flipflop is een andere naam voor

a   analoge serie-parallel omzetter
b   digitale geheugenschakeling
c   elektronische seinsleutel
d   analoge geheugenschakeling
050

De werking van een geaarde aluminium afschermbus om een hf-spoel berust op

a   diamagnetische eigenschappen van aluminium
b   inductie van een stroom in de bus die een tegengesteld magnetisch veld opwekt
c   magnetische geleiding van aluminium
d   naar aarde afvoeren van magnetische veldlijnen
051

Een in een enkele laag gewikkelde spoel wordt vervangen door een spoel die 10procent langer is
De overige eigenschappen [ aantal windingen, diameter, kernmateriaal] blijven gelijk
De zelfinductie is nu


a   ongewijzigd
b   10 procent groter
c   kleinder
d   20 procent groter
052

Een van de toepassingen van een transformator is niet juist
welke?

a   aanpassen van antenne aan kabel
b   wijzigen van wisselspanning
c   versterken van vermogen
d   koppelen van versterkertrappen
053

De spanning over de spoel is??

a   100 V
b   300 V
c   400 V
d   200 V
054

Een LED [light emitting diode] dient op een spanning van 12V te worden aangesloten volgens

a   4
b   3
c   2
d   1
055

Het vermogen dat de transistor dissipeert is ongeveer

a   24 mW
b   20 mW
c   12 mW
d   10 mW
056

Stelling 1
De anode-roostercapaciteit van een triode is veel kleinder dan van een pentode
Stelling 2
De electronenstroom in een triode loopt van het rooster naar de anode
Wat is juist?

a   alleen 1
b   geen
c   1 en 2
d   alleen 2
057

Wat is juist?
a   Y = 1 en Z = 1
b   Y = 1 en Z = 0
c   Y = 0 en Z = 1
d   Y = 0 en Z = 0
058

De spanning over de diode is
a   0.6 V
b   0.8 V
c   2 V
d   1.2 V
059

Een luchtcondensator bestaat uit 2 koperplaten
De oppervlakte van deze platen wordt 2 keer zo groot gemaakt
De capaciteit zal

a   verdubbelen
b   gelijk blijven
c   4x zo groot worden
d   halveren
060

De lekstroom van een diode

a   neemt af bij temperatuurverhoging
b   neemt toe bij temperatuurverhoging
c   is alleen afhankelijk van de spanning
d   is niet afhankelijk van de temperatuur
061

De maximale doorlaatstroom in een halfgeleiderdiode wordt begrensd door de

a   maximale sperspanning
b   doorlaarspanning
c   kristaltemperatuur
d   omgekeerde EMK
062

Door een lange spoel loopt een HF wisselstroom
Een aluminium huls is in de lenterichting van een smalle luchtspleet voorzien, om de spoel geschoven en geaard
Dit wordt gedaan om

a   het elektrische en magnetische veld af te schermen
b   alleen het elektrische veld af te schermen
c   de magnetische veldlijnen te concentreren bij de luchtspleet
d   de zelfinductie te vergroten
063

De waarheidstabel van een exclusieve OF-poort [EXOR] is gegeven in

a   tabel 2
b   tabel 4
c   tabel 1
d   tabel 3
064

Deze schakeling functioneert als een

a   exclusieve OF-poort [EXOR]
b   opteller [full adder]
c   D-flipflop
d   tweedeler
065

Geef de waarheidstabel...>>>
066

Geef de waarheidstabel...>>>
067

De onbelaste spanning tussen de punten P en Q is ongeveer

a   26V
b   17V
c    8V
d    0V
068

Deze schakeling kan gezien worden als een

a   NOF poort
b   EN poort
c   NEN poort
d   OF poort
069

De waarheidstabel, waarin Q de uitgang is, behoort bij een

a   OF-poort
b   EN-poort
c   NEN-poort
d   NOR-poort
077

Deze karakteristiek heeft betrekking op een

a   zenerdiode
b   weerstand
c   FET
d   spanningsbron
078

Ingang Y gaat van 0 naar 1
Uitgang Q

a   blijft1
b   gaat van 1 naar 0
c   blijft 0
d   gaat van 0 naar 1
079
a    3 mA
b   0.1 mA
c   1 mA
d   10 mA
H02            2  Componenten
070

Een zenerdiode wordt meestal toegepast om een

a   constante spanning te maken
b   signaal te versterken
c   wisselspanning gelijk te richten
d   voedingsspanning te verhogen
071

Om een oscillator te verstemmen wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van een

a   varicap
b   LED
c   zenerdiode
d   diodebrug
072

In de schakeling komt +5V overeen met logisch 1
0 V komt overeen met logisch 0
De juiste waarheidstabel is

a   1
b   3
c   2
d   4
073

De spanningsvorm over C wordt weergegeven door

a   C
b   D
c   A
d   B
074

In de schakeling komt +5V overeen met logisch 1
In de schakeling komt  0 V overeen met logisch 0
De juiste waarheidstabel is

a   tabel 2
b   tabel 3
c   tabel 1
d   tabel 4
075

Door een lange spoel loopt een hf-wisselstroom
Een aluminium huls is in de lengterichting van een smalle luchtspleet voorzien, om de spoel geschoven en geaard
Dit wordt gedaan om

a   alleen het elektrische veld af te schermen
b   de magnetische veldlijnen te concentreren bij de luchtspleet
c   het elektrische en magnetische veld af te schermen
d   de zelfinductie te vergroten
076

Juist is

a   X = 0 en Y = 0
b   X = 0 en Y = 1
c   X = 1 en Y = 1
d   X = 1 en Y = 0
080

De voltmeter wijst 5V aan en heeft een inwendige weerstand van 2KOhm
Van de transistor is de versterking 100X.
De ingangsweerstand Ri is ongeveer:

a   2 KOhm
b   200 KOhm
c   0,5 KOhm
d   10 KOhm
081

Wat is juist?
 
a   X=1 en Y=1
b   X=0 en Y=0
c   X=0 en Y=1
d   X=1 en Y=0
082

De logische 1=5V en de logische 0=0V
Dit is een:

a   NOF (NOT)
b   EN (AND)
c   OF (OR)
d   NEN (NAND)
083

Stelling 1
De drainstroom van een FET is afhankelijk vab de gatespanning.
Stelling 2
De drainstroom van een FET is praktisch onafhankelijk van de drainspanning.
Wat is juist?

a   stelling 1 en 2
b   alleen stelling 1
c   geen van beide stellingen
d   alleen stelling 2
084

Voor een transistor geldt: Ube = 0.7 V
De basisstroom is te verwaarlozen.
Uce=

a   10.7 V
b   4.3 V
c   5 V
d   0.7 V
085

De waarheidstabel van een exclusieve OF-poort (EXOR) is gegeven in: 

a   tabel 2
b   tabel 4
c   tabel 1
d   tabel 3
086

Van een penthode, ingesteld in de klasse A, is het verband tussen Ia en Ug gegeven bij een anodeweerstand van 5000 Ohm.
De spanningsversterking is:

a   250 maal
b   10 maal
c   50 maal
d   20 maal
087

Om de maximale toelaatbare vermogensdissipatie van een weerstand te verhogen, kan men het beste:

a   het oppervlak van de weerstand zo klein mogelijk maken
b   de weerstandswaarde zo groot mogelijk maken
c   de weerstandswaarde zo klein mogelijk maken
d   het oppervlak van de weerstand zo groot mogelijk maken
088

Het aanbrengen van een poederijzerkern in een spoel die op 3.5 Mhz wordt toegepast, heeft de volgende invloed:

a   zelfinductie neemt af en Q-faktor blijft gelijk
b   zelfinductie neemt af en Q-factor neemt toe
c   zelfinductie neemt toe en Q-faktor neemt toe
d   zelfinductie blijft gelijk en Q-factor neemt af
089

In een in klasse A ingestelde triode-versterker geldt:
stelling 1
de anode is positief tov de kathode
stelling 2
het stuurrooster is positief tov de kathode
Wat is juist?

a   alleen stelling 1
b   alleen stelling 2
c   beiden stellingen
d   geen van beiden stellingen
090

Voor de transistor geldt: Ube = 0.7 V.
De basisstroom is te verwaarlozen.
Uce is:

a   13 V
b   5.5 V
c   0.55 V
d   8.5 V
091

De waarde van de weerstand Rc is:

a   0.5 K

b   2.5 K

c      2 K

d      3 K
092

De waarde van Rb is:

a   120 K

b   180 K

c   160 K

d     60 K
093

De oervorm van een PNP-transistor is de twee-diode schakeling in:

a   schakeling 1
b   schakeling 3
c   schakeling 2
d   schakeling 4
094

Voor de uitgang Q geldt:

a   tabel 2
b   tabel 1
c   tabel 4
d   tabel 3
095

De gelijkspanning tussen de gate en de source wordt bepaald door:

a   de gatestroom en de weerstend Rs
b   de sourcestroom en de weerstand Rs
b   de condensator Cs
d   de weerstand Rg
096

De spannng U is:

a   0 V
b   -12 V
c   +10 V
d   -36 V
097

Van de schakeling is ingang X logisch 0.
lngang Y kan zowel logisch 0 als logisch 1 zijn.
Uitgang Q is:

a.Y
b.0
c. 1
d. niet-Y
098

Rk wordt berekend uit de waarden:

a   Ug en Ia
b   Ug en Ig
c   Ua en Ia
d   Ub en Ia
099

De spanning (Uce) tussen emitter en collector is :

a.  19,5 V
b.    0,5 V
c     9,5 V
d     10 V
100

De spoel heeft een gelijkstroomweerstand van 40
.
De reactantie( Xl ) is 1 K
.
De ingangsspanning is ongeveer..

a. 104 V
b, 100 V
c.     4 V
d. 204 V
101

De stroomversterking van PNP- en NPN-transistoren zal bij toenemende frequentie

ä   afnemen
b   toenemen
c   gelijk blijven
d   eerst afnemen en daarna weer toenemen
102

De ingangen X en Y worden voorzien van de hier geschetste signalen.

Het uitgangssignaal Q:

a   signaal 2
b   signaal 3
c   signaal 1
d   signaal 4
103

Voor de uitgang Y geldt:

a. tabel 2
b. tabel 4
c. tabel 1
d. tabel 3
104

Dit is een:

a   NIET-schakeling (inverter)
b   NEN-poort (NAND)
c   EN-poort (AND)
d   OF-poort (OR)
105

Voor de transistor geldt: Ube = -0.5 V
De zenerspanning is 2 V.
De spanning U is:

a   -1,5 V
b   -2,5 V
c   0 V
d   -6 V
106

De weerstanden R1 en R2 zorgen voor:

a   vaste voorspanning
b   tegenkoppeling
c   automatische voorspanning
d   ontkoppeling
107

De waarde van Rb is:

a   120 K

b   200 K

c   10 K

d   170 K
108

ln een in klasse A ingestelde LF-pentode-versterker geldt:
stelling 1: het schermroosfer is positief ten opzichte van de kathode.
stelling 2: het vangrooster is positief ten opzichte van de kathode.
Wat is juist:

a. beide stellingen
b. geen van beide stellingen
c. alleen stelling 1
d. alleen stelling 2
109

Q1, Q2, Q3, Q4 en Q5 zijn:

a. P-kanaal veldeffecttransistoren
b. PNP transistoren
c. N-kanaal veldeffecttransistoren
d. NPN transistoren
110

Juist is?

a   Q=1; R=1; T=1
b   Q=1; R=0; T=0
c   Q=0; R=1; T=1
d   Q=0; R=0; T=1
111

In de schakeling komt +5 V overeen met logisch 1 en 0 V met logisch 0.

a   tabel 3
b   tabel 2
c   tabel 1
d   tabel 4
112

Voor de uitgang Y geldt:

a   tabel 4
b   tabel 1
c   tabel 3
d   tabel 2
113

Deze waarheidstabel, waarin Q de uitgang is, behoort bij een:

a   (OR) OF-poort
b   (NOR) NOF-poort
c   (NAND) NEN-poort
d   (AND) EN-poort
114

De volgende pinaansluiting geeft aan dat de transistor een FET is:

a   S-G-D
b   V-C-C
c   E-B-C
d   P-I-E
115

Het vermogen dat de transistor dissipeert is ongeveer:

a   30 mW
b   60 mW
c   35 mW
d   25 mW
116

Als schakelaar S1 gesloten wordt zal de lamp:

a   uitgaan
b   gaan branden
c   blijven branden
d   gaan knipperen
117

De schakeling werkt als oscillator.
Stelling 1: De kring is afgestemd op de tweede harmonische van het kristal.
Stelling 2: Het kristal werkt praktisch in parallel-resonantie.
Wat is juist?

a   1
b   1 en 2
c   geen
d   2
118

Juist is:

a   X=1   Y=0
b   X=1   Y=1
c   X=0   Y=0
d   X=0   Y=1
119

Juist is:

a   X=1   Y=1
b   X=0   Y=0
c   X= 1   Y-0
d   X=0   Y=1
120

Door de wikkeling van een luchtspoel loopt een gelijkstroom.
Hierdoor ontstaat een magnetisch veld:

a   alleen buiten de spoel
b   zowel binnen als buiten de spoel
c   alleen in de spoel als er een ijzerkern is aangebracht
d   alleen binnen de spoel
121

Ingang S gaat over van logisch 0 naar logisch 1.
Uitgang Q:

a   blijft 1
b   gaat van 1 naar 0
c   gaat van 0 naar 1
d   blijft 0
122

Een varicap wordt vaak gebruikt voor:

a   het regelen van de versterking
b   het moduleren van een FM zender
c   het gelijkrichten van de netspanning
d   signaaldetectie in een AM-ontvanger
123

Ingang P gaat van 1 naar 0.
Uitgang X:

a   blijft 0
b   blijft 1
c   gaat van 0 naar 1
d   gaat van 1 naar 0
124

Van de transistor is de hfe = 100.
Welke bewering is juist?

a   U1 = 0,1V     U2 = 0.1 V en hebben dezelfde fase
b   U1 = 0 V       U2  = 10 V
c   U1 =1 V        U2 = 0.1 V en hebben tegengestelde fase
d   de ingangsspanning is te klein om enig effect te hebben op U1 en U2
125

Voor de schakeling geldt:

a   U2 is kleiner dan U1en in tegenfase met U1
b   U2 is groter dan U1en in tegenfase met U1
c   U2 is kleiner dan U1en  in fase met U1
d   U2 is  groter dan U1en in fase met U1
126

Het magnetische veld van een mf-spoel veroorzaakt hinder in nabijgelegen componenten.
De beste remedie hiertegen is om deze spoel:

a   in te gieten in kunsthars
b   zonder spatie te wikkelen
c   aan één zijde te aarden
d   te voorzien van een aluminium bus
127

Een verliesvrije condensator is aangesloten op een sinusvormige spanning.
Welke bewering is juist?

a   de condensator neemt het dubbele vermogen op bij verdubbeling van de capaciviteit
b   de condensator neemt het dubbele vermogen op bij verdubbeling van de spanning
c   de condensator neemt geen vermogen op
d   de condensator neemt bij een bepaalde frequentie maximaal vermogen op
128

Juist is:

a   Q=1   P=1
b   Q=0   P=1
c   Q=0   P=0
d   Q=1   P=0
129

Een frequentieverdrievoudiger met een transistor wordt gestuurd met een frequentie f.
In de collectorstroom zijn de volgende frequenties aanwezig:

a   f en 1/3f
b   f en 3f
c   1/3f en 3f
d   f en 1/2f
130

Een variac is in principe een autotransformator.
De knop van de variac wordt zodanig gedraaid dat n1=100 windingen en n2=200 windingen.
U1 is dan:

a   48 V
b   240 V
c   60 V
d   80 V
131

Dit blokschema toont een:

a   productdetector
b   PLL-schakeling
c   amplitude modulator
d   digitale VFO
132

De sperspanning van een normale siliciumdiode is:

a   tussen de 0.4 en 2V
b   groter dan 10V
c   kleiner dan 0.4V
d   tussen de 2V en de 10V
133

De spanning U heeft een frequentie van 1 MHz.
Om spoel Y af te schermen van het magnetische veld van spoel X dient men:

a   een ijzerkern aan te brengen in de spoel X
b   een ijzerkern aan te brengen in beide spoelen
c   spoel X in een koperen buis te plaatsen
d   een koperkern aan te brengen in spoel Y
134

Een niet-ideale luchtspoel gedraagt zich voor frequenties, die zeer veel hoger zijn dan waarvoor hij is bedoeld, voornamelijk als een:

a.  spoel met een lage Q-factor
b.  spoel en condensator in serie
c.  condensator
d.  weerstand
135

Een condensator met aansluitdraden gedraagt zich voor frequenties in het UHF-bereik voornamelijk als een:

a.parallelkring
b.condensator met veel verlies
c.weerstand
d.spoel
136

Een geheugen voor binaire getallen bestaat uit:

a   delers
b   exclusieve OF-poorten
c   optellers
d   flipflops
137

Welke van de getekende grafieken stelt het weerstandverloop van een NTC-weerstand voor?

a.   A
b.   B
c.   C
d.   D
138

De elektrische veldlijnen van een opgeladen condensator verlopen volgens:

a   A
b   B
c   C
d   D
139

Een achttien-deler kan men:

a   samenstellen met een zes-deler en een drie-deler
b   niet samenstellen
c   samenstellen mat twee negen-delers
d   samenstellen met een tien-deler en een acht-deler
140

Wat is juist?

a   Q = 1     R = 1     T = 1
b   Q = 1     R = 0     T = 0
c   Q = 0     R = 1     T = 1
d   Q = 0     R = 0     T = 1
141

Deze karakteristiek heeft betrekking op:

A. een diode
B. een PNP transistor
C. een weerstand
D. een spanningsbron
142

De Ia – Ug karakteristiek van een radiobuis geeft het verband aan tussen de:

A. roosterstroom en de anodestroom
B. roosterstroom en de kathodestroom
C. roosterspanning en de anodestroom
D. roosterspanning en de anodespanning
143

Om de maximaal toelaatbare vermogensdissipatie van een weerstand te verhogen,
kan men het beste de:

A. weerstand NTC-eigenschappen geven
B. weerstand PTC-eigenschappen geven
C. weerstand op een koelplaat monteren 
D. weerstand in een glazen lichaam opsluiten
144

De weerstand tussen de gate en de source van een veldeffecttransistor in een laagfrequent schakeling is:

A. het grootst in gemeenschappelijke gate schakeling
B. het grootst in gemeenschappelijke drain schakeling
C. het grootst in gemeenschappelijke source schakeling
D. onafhankelijk van de schakeling
145

De weerstand Rk zorgt voor de:

A. wisselstroom-ontkoppeling
B. wisselstroom-tegenkoppeling
C. impedantie-aanpassing
D. gelijkstroom-instelling
146

De hoogfrequent-verliezen van een condensator zijn het kleinst indien als diëlektricum wordt toegepast:

a   polystyreen
b   keramiek
c   mica
d   lucht
147

Dit is een schema van een :

a   laagdoorlaatfilter
b   modulator
c   hoogdoorlaatfilter
d   verschilversterker
148

Wat is juist?

a   X=0     Y=1
b   X=0     Y=0
c   X=1     Y=1
d   X=1     Y=0
149   De juiste uitgangsspanningen X en Y zijn:

a   X= +24V     Y= 0V
b   X= -12C     Y= 0V
c   X= -12V      Y= +24V
d   X= 0V         Y= 12V
150

De waarheidstabel , waarbij Q de uitgang is , behoort bij een:

a   of (OR) poort
b   en (AND)poort
c   nen(NAND)poort
d   nof(NOR)poort
151

Variabele condensatoren worden gevormd door twee geleiders met daartussen een diëlektricum.
Ze worden veelal toegepast voor:

a   het regelen van de dilectrische constante
b   afstemming en afregeling
c   het regelen van de zelfinductie
d   het laten na-ijlen van de stroom op de spanning
152

De transistor is niet in verzadiging.
De 100 ohm weerstand wordt vervangen door een weerstand met een 3x zo kleine waarde.
Het opgenomen elektrisch vermogen in die weerstand:

a   blijft gelijk
b   wordt 9x zo klein
c   wordt 3x zo klein
d   wordt 3x zo groot
153

De karakteristiek van een metaalfilmweerstand is:

a   3
b   1
c   4
d   2
154

Door een spoel met een zelfindictie van 0.2 henry loopt een sinusvormige wisselstroom van 2 A.
De frequentie van de wisselstroom s 70/2
π Hz.
De spanning over de spoel is:

a   25 V
b   20 V
c   56 V
d   40 V
155

Het door de schakeling opgenomen vermogen is:

a   2 W
b   10 W
c   1,6 W
d   2,8 W
156

De uitgangsspanning U is:

a   -36 V
b   -24 V
c   -12 V
d   0 V
157

Juist is:

a. Q=1; R=0; S=1; T=0
b. Q=0; R=1; S=1; T=0
c. Q=1; R=0; S=1; T=1
d. Q=1; R=1; S=0; T=1
158

Ingang Y kan zowel logisch 1 als logisch 0 zijn.
Uitgang Q is:

a. 0
b. niet-Y
c. Y
d. 1
159

De gelijkspanning tussen rooster en kathode van de triode wordt bepaald door de:

a   ontkoppelcondensator Ck
b   roosterlekweerstand Rg
c   anodestroom en kathodeweerstand Rk
d   rooster-kathodecapaciteit
160

Een niet-ideale spoel is voor te stellen door:

a   vervangingsschema 4
b   vervangingsschema 1
c   vervangingsschema 2
d   vervangingsschema 3
161

De weerstand Rk zorgt voor de:

a   impedantie-aanpassing
b   wisselstroom-tegenkoppeling
c   gelijkstroom-instelling
d   wisselstroom-ontkoppeling
162

Ingang P gaat over van 0 naar 1.
Uitgang Z:

a   blijft 1
b   gaat van 1 naar 0
c   blijft 0
d   gaat van 0 naar 1
163

De waarheidstabel, waarin Q de uitgang is, behoort bij een:

a   EN-poort (AND)
b   OF-poort (OR)
c   NEN-poort (NAND)
d   NOF-poort (NOR)
164 ?????????????

In de versterker is een siliciumtransistor toegepast.
De meest geschikte waarde voor de collectorweerstand is:

a   10 k

b   3.9 k

c   39 k

d   1 k
165

Wat is juist?

a   X=0     Y=0
b   X=0     Y=1
c   X=1     Y=0
d   X=1     Y=1
166

Gegeven is de Id-Ugs karakteristiek van een FET.
Bij Ug = -1V is de steilheid:

a   12 mA/V
b   8 mA/V
c   4 mA/V 
d   0,8 mA/V
167

Stelling 1:
De anode-roostercapaciteit van een triode is veel kleiner dan van een penthode.
Stelling 2:
De elecronenstroom in een triode loopt van het rooster naar de anode.
Wat is juist:

a   1 en 2
b   1
c   geen
d   2
168

De karakteristiek van een metaalfilmweerstand is
169

In de Ia-Ua karakteristiek van een triode geeft het verband tussen:

a   anodestroom en anodespanning
b   roosterstroom en anodespanning
c   roosterstroom en roosterspanning
d   anodestroom en roosterspanning
170

Een wederzijdse inductie wordt aangegeven met de volgende eenheid:

a   farad
b   siemens
c   hertz
d   henry
171
In de onderstaande figuur is het schema van een transistorversterker schakeling weergegeven.
De transistor is ideaal verondersteld.
De spanning over de weerstand Rc is:

a   0.2 V     
b   5.4 V
c   9.8 V
d   20 V
172

In de onderstaande figuur is het schema van een transistorversterker schakeling weergegeven.
De transistor is ideaal verondersteld.
De waarde van de weerstand Rb is gelijk aan:

a   2 Kohm
b   5 Kohm
c   195 Kohm
d   245 Kohm
173

Van de onderstaande schakeling is gegeven:

De waarde van de weerstand Ra is gelijk aan:

a   0.5 Kohm
b   1 Kohm
c   3.25 Kohm
d   3 Kohm
174

De versterkingsfactor van een buis wordt bepaald door:

a  de grootte van de anodespanning bij een constante anodestroom
b  de verhouding tussen anodespanning variatie en roosterspanning variatie bij constante anodestroom
c   de verhouding tussen de negatieve roosterspanning en de anodespanning variatie bij een bepaalde anodestroom
d   de verhouding van de anodestroom en de negatieve roosterspanning
175

De uitstraling van harmonischen door een zender kan worden verminderd door:

a   als oscillator een kristaloscillator te gebruiken
b   de voedingsspanning van de eindtrap zeer goed af te vlakken
c   de instelling van de eindtrap zoveel mogelijk in klasse C re zetten
d   de tankkring van de eindtrap als pi-filter uit te voeren
177

De getekende schakeling stelt het vervangingsschema voor van een:

a   transistor
b   transformator
c   kwartskristal
d   smoorspoel
178

In de figuur is een triode in een versterker-schakeling opgenomen.
De weerstand Rk verzorgt:

a   de wisselstroom-ontkoppeling
b   de wisselstroom-tegenkoppeling
c   de impedantie aanpassing
d   de gelijkstroom instelling
179

Het vectordiagram heeft betrekking op:

a   een serieschakeling van een condensator en een weerstand
b   een condensator
c   een serieschekeling van een spoel en een weerstand
d   een spoel
180

Het schema stelt een hf-verstertrap voor.
De ingangsspaanning UI is gegeven.
Hoe verloopt de collectorstroom IC?

a
b
c
d
181

In de figuur is een serieschakeling van een weerstand en een condensator getekend, aangesloten op een sinusvormige spanning.
Het juiste vectordiagram is:


a
b
c
d
182

In de figuur is het schema van een versterker weergegeven.
De versterker heeft een rendement van 50%.
De spanning over de belastingsweerstand R bedraagt 36 V.
De aan de collector toegevoerde gelijksptroom is:

a   0.5 A
b   1 A
c   2 A
d   4 A
183

Spoelen van de eindtrap van een zender worden bij voorkeur gemaakt van:

a   verzilverd koperdraad
b   verkopert ijzerdraad
c   vertind koperdraad
d   aluminiumstrip
184

Temperatuur ongevoelige weerstanden worden gemaakt van:

a   zilverdraad
b   ijzerdraad
c   koperdraad
d   constantaandraad
185

Als in de schakeling de ondensator C wordt vervangen door een condensator met een veel kleinere capaciteitswaarde, is het effect:

a   een grotere versterking vooral voor de laagste frequenties
b   een grotere versterking vooral voor de hoogste frequenties
c   een kleinere versterking vooral voor de laagste frequenties
d   een kleinere versterking vooral voor de hoogste frequenties
186

De HF-verliezen van een condensator zijn het grootst indien als dielectricum wordt toegepast:

a   keramiek
b   papier
c   polystyreen
d   lucht
187

Door een lange spoel loopt een hf wissselstroom.
Een aluminium huls is in de lengterichting van een smalle luchtspleet voorzien, om de spoel geschoven en geaard.
Dit wordt gedaan om:

a   het elektrisch en magnetisch veld af te schermen
b   de zelfinductie te vergroten
c   de magnetische veldlijnen te concentreren bij de luchtspleet
d   alleen het elektrisch veld af te schermen
188

Wat is de juiste omschrijving voor de Wet van Ohm voor wisselspanning?

a   stroomsterkte = impedantie x spanning
b   impedantie = spanning / stroomsterkte
c   stroomsterkte = impedantie / spanning
d   impedantie = spanning x stroomsterkte
189

Bij toenemende temperatuur zal:

a   U1 toenemenU2 afnemen
b   U1 constant blijvenU2 afnemen
c   U1 afgnemenU2 toenemen
d   U1 constant blijvenU2 afnemen
190

Welke van de materialen heeft de minste elektrische verliezen bij hoge frequenties?

a   pertinax
b   polystyreen
c   papier
d   bakeliet
191

In de versterkertrap is een FET toegepast.
De waarde van Rs is:

a   Rs = Ud / Id
b   Rs = Ub / Id
c   Rs = Ugs / Id
d   Rs = Ugs-Ud  /  Id
192

Een buis is ingesteld in het werkpunt P.
De roosterspanning Ug is in de karakteristiek aangeduid.
De buisinstelling is:

a   klasse A zonder roosterstroom
b   klasse B zonder roosterstroom
c   klasse B met roosterstroom
d   klasse C met roosterstroom
193

Het vectordiagram behoort bij schakeling

a
b
c
d
194

Hier is een versterkertrap op 145 Mhz.
wat is juist?

a   C1 = keramisch   C2 = elektrolytisch
b   C1 = kunssttof     C2 = keramisch
c   C1 = keramisch   C2 = keramisch
d   C1 = keramisch   C2 = kunststof
195

De grafiek beschrijft het gedrag van:

a   PNP transistor
b   NPN transistor
c   zenerdiode
d   thrisistor
196

Een kenmerkende eigenschap van een zenerdiode is:

a   de hoge weerstand in de doorlaatrichting
b   de sterke lichtgevoeligheid in de sperrichting
c   de negatieve weerstand in de doorlaatrichting
d   de sterk toenemende stroom in de sperrichting
197

Voor de transistor geldt: Hfe = Ic/Ib = 100.
De stroom door de zenerdiode is ongeveer:

a   3 mA
b   5 mA
c   10 mA
d   15 mA
198

De FET is ingesteld in het werkpunt P.
De waarde van Rs is:

a   375 ohm
b   750 ohm
c   1 Kilo ohm
d   3 Kilo ohm\
199

Op de schakeling wordt een blokvormige spanning aangesloten.
Welk figuur stelt de uitgangsspanning U2 voor ?

a
b
c
d
200

Een veertien-deler kan men samenstellen uit:

a   een vier-deler en een tien-deler
b   een twee-deler en een zeven-deler
c   zeven twee-delers
d   twee zeven-delers
201

De FET is ingesteld in werkpunt P.
De steilheid S van de FET is:

a   0.3 mA/V
b   2 mA/V
c   6 mA/V
d   oneindig hoog
202

Op de ingang van een frequentievermenigvuldiger met een transistor wordt een sinusvormig signaal aangebracht.
Welke vorm heeft de collectorstroom ?

a
b
c
d
203

Voor een koelplaat voor tansistoren kan het beste gebruikt worden:

a   ijzer
b   aluminium
c   polystyreen
d   teflon
204

Een teller is opgebouwd uit een drietal D-geheugen elementen.
Het maximale aantal standen van deze teller is :

a   2
b   6
c   8
d   9
205

Van een frequentiedeler is het in- en uit-gangssignaal gegeven.
De schakeling vormt een:

a   2 deler
b   7 deler
c   8 deler
d   10 deler
206

Wat is de juiste uitgangscombinatie?

a   X = 0     Y = 1
b   X = 1     Y = 0
c   X = 0     Y = 0
d   X = 1     Y = 1
207

Onder elektromagnetisch inductie wordt verstaan:

a   de aantrekkingskracht tussen twee elektromagneten
b   het opwekken van een elektrische spanning in een spoel door een wisselend magnetisch veld
c   de aantrekkingskracht tussen twee stroomvoerende geleiders
d   de stroom die in een transformator het magnetisch veld opwekt
208

Het schema stelt voor:

a   een detector
b   een modulator
c   een discriminator
d   een somversterker
209

De hoogfrequentverliezen van een condensator zijn het kleinst met als dielectricum:

a   keramiek
b   papier
c   plastic folie
d   lucht
210

Met vijf tweedelers kan men maximaal tellen tot en met :

a   10
b   15
c   31
d   63
211

Deze schakeling kan worden vervengen door:

a   een Of-poort met genegeerde uitgang NOR
b   een EN-poort met genegeerde uitgang NAND
c   een EN-poort
d   een OF-poort
212

De uitgangsspanning Uuit met een siliciumtransistor is ongeveer:

a   7 V
b   7.7 V
c   6.3 V
d   8.4 V
213

het ontladen van een condensator vie een weerstand van 10 K
verloopt volgend de grafiek.
De waarde van de condensator is:

a   10000 pF
b   100000 pF
c   1 µF
d   10 µF
214

Van een EN-poort met genegeerde uitgang NEN worden de ingangen X en Y voorzien van de signalen in figuur 01
Het uitgangssignaal  verloopt volgens:

a
b
c
d
215

Het ontladen van twee geladen condensatoren verloopt volgens de grafiek.
Het ontladen vindt plaats met een weerstand van 100 Kilo-ohm.
Wat is juist ?

a   Cx = 1µF   en Cy = 2µF
b   Cx = 2µF   en Cy = 1 µF
c   Cx = 1µF   en Cy = 10 µF
d   Cx = 10µF en Cy = 1µF
216

Met 6 JK-elementen in een delerschakeling kunnen we een maximale deelfactor bereiken van:

a   6
b   12
c   35
d   64
217

De elektroden van een lood-accumulator (accu) zijn geplaatst in:

a   verdund zoutzuur
b   verdund chloor
c   verdund zwavelzuur
d   verdund peroxide
218

Een teller is opgebouwd uit een drietal D-geheugen elementen.
Het maximaal aantal standen van deze teller is:

a   3
b   6
c   8
d   9
219

Bij toenemende temperatuur zal:

a   U1 toenemen en U2 afnemen
b   U1 constant blijven en U2 toenemen
c   U1 afnemen en U2 toenemen
d   U1 constant blijven en U2 afnemen
220

In een geladen lood-accu staat er tussen de twee elektroden van één cel een spanningsverschil van ongeveer:

a   1,5V
b   1,25 V
c   2,25 V
d   4,5V
221

Een variabele condensator staat ingesteld op 500 pF en wordt opgeladen tot een spanning van 10 volt.
Daarna wordt de verbinding tussen condensator en voedingsbron verbroken.
Als de capaciteit wordt verminderd tot 250 pF, wordt de spanning over de condensator:

a   5 V
b   10 V
c   20 V
d   40 V
222

Wat is het uitgangspotentiaal op Q ?

a   0 V
b   -12 V
c   +10 V
d   -36 V
223

Van een deler voor digitale signalen is het in- en uitgangssignaal gegeven.
De schakeling vormt een:

a   2-deler
b   4-deler
c   5-deler
d   6-deler
224

De aantrekkingskracht tussen de weekijzeren staafjes en de magneet is:

a   in p groter dan in q
b   in p kleiner dan in q
c   in p even groot als in q
d   in p tegengesteld aan die in q
225

Een condensator van 1 µF is opgeladen tot een spanning van 12 V.
Aan deze condensator wordt een ongeladen condensator van 2 µ.F parallel geschakeld.
De spanning over de parallel geschakelde condensatoren bedraagt:

a   12 V
b   6 V
c   4 V
d   3 V
226

Van een frequentieverdrievoudiger met één transistor is gegeven dat de ingang gestuurd wordt met een 10 MHz signaal.
In de collectorstroom zijn onder andere aanwezig de frequenties:

a   10 MHz en 20 MHz
b   5 MHz en 15 MHz
c   15 MHz en 30 MHz
d   10 MHz en 25 MHz
227

Om de gevolgen van huideffect (skin-effect) te verminderen kan een spoel in de eindtrap van een amateurzender het best gewikkeld worden:

a   van verzilverd koperdraad
b   van aluminiumdraad
c   van koperdraad
d   met ruimte (spatie) tussen de windingen
228

Hoe groot is de spanning over de weerstand?

a   150 V
b   200 V
c   210 V
d   280 V
229

In de versterkertrap is een FET toegepast.
De waarde van Rs is:

a   Rs = Ud / Id
b   Rs = Ug / Id
c   Rs = Ugs / Id
d   Rs = Ugs – Ud / Id
230

Stelling 1:
De anodestroom van een triode radiobuis is afhankelijk van de roosterspanning.
Stelling 2:
De anodestroom van een triode radiobuis is afhankelijk van de anodespanning.
Wat is juist:

a   stelling 1 en 2
b   alleen stelling 1
c   alleen stelling 2
d   geen van beide stellingen
231

De spanningsbron levert een wisselstroom van 3 ampére.
De stroom door de condensator is 1 ampere.
Hoe groot is de stroom door de spoel?

a   1 A
b   2 A
c   3 A
d   4 A
232

De spanningsbronnen hebben een inwendige weerstand van 0 ohm.
De spanning over R wordt weergegeven door:

a
b
c
d
233

Indien een transistor wordt gebruikt als frequentie- vermenigvuldiger zal deze bij voorkeur worden ingesteld in:

a   klasse A
b   klasse B
c   klasse C
d   klasse AB
234

De karakteristiek behoort bij een:

a   transistor (NPN)
b   weerstand met positieve temperatuurscoefficent (PTC)
c   zenerdiode
d   weerstand met negatieve temperatuurscoefficient (NTC)
235

In de schakeling komt +5 V overeen met logisch 1 en 0 V met logisch 0.
De juiste waarheidstabel is:

a   tabel 4
b   tabel 3
c   tabel 2
d   tabel 1
236

Juist is:

a   X=0    en    Y=0
b   X=0    en    Y=1
c   X=1    en    Y=0
d   X=1    en    Y=1
237

De karakteristiek behoort bij een:

a   transistor (NPN)
b   weerstand met positieve temperatuurcoefficient (PTC)
c   zenerdiode
d   weerstand met negatieve temperatuurcoefficient (NTC
238

De uitgangsspanning Uuit is:

a   U1 – U2
b   -(U1 + U2)
c   U2 – U1
d   U1 + U2
239

Dit schema is het basisprincipe van een:

a   EN-poort
b   NEN-poort
c   OF-poort
d   NOF-poort
240

De voltmeter wordt ideaal verondersteld.
De temperatuur van de NTC-weerstand is 80°C.
De voltmeter wijst aan:

a   4V
b   4.5 V
c   6V
d   7,5 V
241

Om de zelfinductie van hf-spoelen te regelen worden veelal ijzerkernen toegepast.
Deze kernen bestaan bij voorkeur uit:

a   massief zacht ijzer
b   geïsoleerde ijzerplaatjes
c   geperst zuiver ijzerpoeder
d   van elkaar geïsoleerde ijzerpoederdeeltjes
242

De gelijkspanning tussen rooster en kathode van de triode wordt bepaald door de:

a   roosterlekweerstand Rg
b   ontkoppelcondensator Ck
c   rooster-kathodecapaciteit
d   anodestroom en kathodeweerstand Rk
243

Deze schakeling heeft een:

a   EN-functie
b   OF-functie
c   NOF-functie
d   NEN-functie
244

Een OpAmp is een:

a   gelijkstroomgekoppelde versterker met een zeer hoge ingangsimpedantie
b   wisselstroomgekoppelde versterker met een zeer hoge ingangsimpedantie
c   wisselstroomgekoppelde versterker met een zeer lage uitgangsimpedantie
d   gelijkstroomgekoppelde versterker met een zeer hoge uitgangsimpedantie
245

De ingangsfrequentie is 10 kHz.
De condensator wordt vervangen door een condensator van 1000 pF.
Hierdoor zal de versterking:

a   groter worden
b   kleiner worden
c   gelijk blijven
d   nul worden
246

De lekstroom is het grootst bij een condensator van het type:

a   mica
b   lucht
c   keramisch
d   elektrolytisch
247

De temperatuurcoëfficiënt van een condensator kan zijn:

a   alleen positief
b   alleen negatief
c   zowel positief als negatief
d   een temperatuurcoëfficiënt komt niet voor bij een condensator
248

Om de maximaal toelaatbare vermogensdissipatie van een weerstand te verhogen, kan men het beste de:

a   weerstand in een glazen lichaam opsluiten
b   weerstand NTC-eigenschappen geven
c   weerstand PTC-eigenschappen geven
d   weerstand op een koelplaat monteren
249

Een weerstand waarvan de weerstandswaarde sterk toeneemt bij toenemende temperatuur, is een:

a   NTC-weerstand
b   PTC-weerstand
c   Metaalfilmweerstand
d   Koolweerstand
176

Een condensator bestaat uit twee gelijke platen ieder met een oppervlak van S cm2 en een onderlinge afstand van d cm.
Tussen de platen bevindt zich een materiaal met een relatieve dielectrische constante dc.
De capaciteit van deze condensator is evenredig met:

a   dc x s / d
b   dc x d / S
c   dc x S / d2
d   d x S / dc