jj_07_02_002v
009

Stelling 1
de MUF is afhankelijk van het zendvermogen.
Stelling 2
de MUF is onafhankelijk van het aantal zonnevlekken.
Juist is:

a   stelling 1
b   geen van beide stellingen
c   stelling 1 en 2
d   stelling 2
010

In een periode met een groot aantal zonnevlekken:

a   wordt de 28 Mhz band bruikbaarder voor grotere afstanden
b   wordt de kans op temperatuurinversie groter
c   neemt de skip-ditance toe
d   splits de E-laag zich vaker op in de F1- en F2-laag
001

De eigenschappen in de troposfeer bepalen in belangrijke mate de voortplanting van radiogolven in de:

a   HF-band
b   VHF-band
c   VHF- en HF-band
002

In het UHF gebied kunnen soms grote afstanden overbrugt worden ten gevolge van:

a   grote zonnen vlekken=activiteit
b   temperatuurinversies
c   reflecties tegen geïoniseerde F-lagen
d   reflecties tegen de geïoniseerde D-laag
003

Om een radioverbinding van Nederland naar Australië via de ionosfeer te maken, kan de golflengte zijn:

a   20 m
b   2 m
c   20 cm
d   2cm
004

Een radioverbinding over lange afstand op  145 Mhz. is mogelijk door:

a   de ultraviolette zonnestraling
b   temperatuurinversie
c   magnetische stormen
d   de afwezigheid van zonnevlekken
005

Bij temperatuurinversie kunnen radiogolven in de 145 Mhz frequentieband aanzienlijk grotere afstanden overbruggen dan normaal.
Dit komt door:

a   de warme luchtlaag de golven minder absorbeert dan de koude luchtlaag
b   de polarisatie van de golven wordt gedraaid op het grensvlak van warme en koude lucht
c   er buiging van de golven in een hogedruk gebied plaatsvindt
d   de zich vormende waterdruppels werken als reflectors
006

Bij een radiogolf is de kritische frequentie:

a   de hoogste frequentie waarbij, bij verticale opstraling, nog reflectie door de ionosfeer optreedt
b   een ander uitdrukking voor MUF , Maximum Usable Frequency
c   de hoogste frequentie die voor grondgolfpropagatie nog bruikbaar is
d   de laagste frequentie waarbij, bij verticale opstraling, nog reflectie door de ionosfeer optreedt
007

Radioverbindingen in de 2-meterband tussen stations op aarde vinden in het algemeen plaats via de:

a   biosfeer
b   stratosfeer
c   troposfeer
d   ionosfeer
008

Na inval van de schemering zijn signalen ven ver verwijderde zenders op de 80-meter band sterker omdat:

a   de D laag is verdwenen
b   de D laag dikker is geworden
c   de F laag is gedaald
d   de F laag is gestegen
011

De mogelijkheden voor het maken van radioverbindingen via de ionosfeer zijn mede afhankelijk van het aantal zonnevlekken.
Deze afhankelijkheid is het sterkst voor de:

a   10-meter band
b   20-meter band
c   40-meter band
d   80-meter band
012

De Maximum Usable Frequency (MUF) voor een radioverbinding tussen Nederland en Afrika is op enig moment 24 MHz.
Voor een succesvolle verbinding kan men dan het beste gebruik maken van de:

a   20-meter band
b   10-meter band
c   15-meter band
d   40-meter band
013

U ontvangt de uitzending van een amateurstation dat in Azie gevestigd is.
Er zijn geen bijzondere condities.
Het signaal van dat station wordt door u ontvangen dankzij de propagatie via:

a   de ruimtegolf
b   de grondgolf
c   het Keppler-effect
d   de skip-distance
014

Verticale opgestraalde signalen met een frequentie hoger dan de kritische frequentie worden door de ionosfeer:

a   teruggekaatst
b   geabsorbeerd
c   doorgelaten
d   van frequentie veranderd