001

De spanning die een gelijkstroomvoeding levert wordt met een universeelmeter gemeten
De meter gedraagt zich als een

a   isolator
b   weerstand met lage waarde
c   weerstand met hoge waarde
002

Instelling oscilloscoop
Horizontaal 1  usec/schaaldeel
Verticaal    25 V/schaaldeel

De amplitude van deze wisselspanning is

a     60 V
b     25 V
c   100 V
d     50 V
003

Een meter heeft een gevoeligheid van 20 KOhm/Volt
De meter is geschakeld op het 10 volt bereik
De  meter wijst 7 volt aan

De eigen weerstand van de meter is

a   140 KOhm
b   200 KOhm
c     20 KOhm
d     14 KOhm
004

De nauwkeurigheid van een digitale frequentiemeter wordt bepaald door de

a   kabellengte van de meetprobe
b   tijdbasis - oscillator
c   ingangsversterkingstrap
d   ingangsimpedantie van de meetprobe
005

De tijdbasis van de oscilloscoop is zo ingesteld , dat 1 schaaldeel overeenkomt met 5 miliseconde
de frequentie van de aangelegde spanning is

a   25 Hz
b   1.6 Khz
c   50 Hz
d   40 Khz
006

De tijdbasis van een oscilloscoop is ingesteld op 1 microseconde schaaldeel
De frequentie van het signaal is
a   500 Khz
b   250 Khz
c   50  Khz
d   250   Hz
007

Een multimeter heeft een gevoeligheid van 20 Kohm/V
De meter is geschakeld op het 10 V bereik
De meter wijst 7 Volt aan
De eigen weerstand van de meter is


a   200 Kohm
b   20 Kohm
c   140 Kohm
d   14 Kohm
008

Een frequentiemeting kan het meest nauwkeurig worden uitgevoerd met een

a   absorbtiefrequentiemeter
b   dipmeter
c   frequentieteller
d   oscilloscoop
009

In de schakeling wordt de collector-emittorspanning van de transistor gemeten
De meter zelf heeft geen afwijking
Welke meter geeft de kleinste meetfout?
a   een meter met inwendige weerstand van 0.1 Ohm
b   een meter met 0.5 mA uitslag
c   een meter met een gevoeligheid van 10Kohm/V
d   een meter met inwendige weerstand van 1 Mohm
010

Voor het meten van het door een zender opgenomen gelijkstroomvermogen wordt gebruik gemaakt van:

a   alleen een amperemeter
b   alleen een voltmeter
c   een amperemeter en een voltmeter
d   een ohmmeter
011

Het belangrijkste kwaliteitskenmerk van een HF-signaalgenerator voor metingen aan ontvangers is een

a   nauwkeurig instelbare verzwakker
b   laag stroomverbruik
c   snel aansprekende overspanningsbeveiliging
d   hoge uitgangasspanning
012

Een voor gelijkspanning geijkte draaispoelmeter wordt via een diodebrug aangesloten op een sinusvormige wisselspanning van 1 Khz
De meter wijst van de spanning tussen A en B aan

a   de maximale waarde
b   de effectieve waarde
c   de momentele waarde
d   de gemiddelde waarde
013

De voltmeter met een inwendige weerstand van 10 Kohm/volt is ingesteld op het bereik van 10 Volt
De inwendige weerstand van de batterij is te verwaarlozen
De voltmeter wijst aan


a   3 V
b   4.5 V
c   1 V
d   6 V
014

Een multimeter heeft een gevoeligheid van 20 Kohm/Volt
De meter is geschakeld op het 10 Volt bereik
De meter wijst 7 Volt aan
Wat is de weerstand van de meter?

a   140 Kohm
b   14 Kohm
c   20 Kohm
d   200 Kohm
015

Van een niet aangesloten kring is de resonantiefrequentie te bepalen met

a   dipmeter
b   universeelmeter
c   digitale voltmeter
d   frequentieteller
016

Een amperemeter heeft een inwendige weerstand van 20 Ohm
Met een parallelweerstand van 5 Ohm is het meetgebied 20 mA
Het meetgebied zonder parallelweerstand is

a   5 mA
b   4 mA
c   15 mA
d   16 mA
017

Een ideale voltmeter, geijkt voor gelijkspanning, wordt via een gelijkrichter aangesloten op een sinusvormige wisselspanning met een Ueff 10 Volt
De meter zal ongeveer aanwijzen

a   10.0 V
b   9 V
c   7.1 V
d   14.1 V
018

De weerstand tussen A en B is

a   750 Ohm
b   720 Ohm
c   221 Ohm
d   660 Ohm
019

Het belangrijkste kwaliteitskenmerk van een HF=signaalgenerator voor metingen aan ontvangers is een

a   nauwkeurige instelbare verzwakker
b   laag stroomgebruik
c   snel aansprekende overspanningsbeveiliging
d   hoge uitgangsspanning
020

Een ideale voltmeter, geijkt voor gelijkspanning, wordt via een gelijkrichter aangesloten op een sinusvormige wisselspanning met een effectieve waarde van 10 Volt
De meter zal dan ongeveer aanwijzen

a   9 V
b   10.0 V
c   14.1 V
d   7.1 V
021

De juiste impedantie-aanpassing van een antennesysteem wordt gecontroleerd met een

a   veldsterktemeter
b   ohmmeter
c   staandegolfmeter
d   amperemeter
022

Op een oscilloscoop, aangesloten op de uitgang van de zender, zien we dit beeld
De verticale gevoeligheid is 50 V/div
De belasting is 50 Ω
Het afgegeven vermogen is ongeveer

a   200 W
b   100 W
c    50 W
d    25 W
023
Uit dit beeld leidt u de volgende waarden af:

a   amplitude  50 V   periodeduur 8 micro-sec
b   amplitude 100 V  periodeduur 4 micro-sec
c   amplitude  50 V   periodeduur 4 micro-sec
d   amplitude 100 V   periodeduur 8 micro-sec
>>>>> H08
8  Metingen
024

Met een oscilloscoop en een twee-toon testsignaal kan van een EZB-zender worden bepaald:

a   de frequentie deviatie
b   de liniairiteit
c   de modulatiediepte
d   de faseverschuiving van de draaggolf
025

Een wisselstroom met een frequentie van 14 Mhz in een draad van een open voedingslijn kan gemeten worden met een:

a   in de draad opgenomen koolweerstand van 1 Ohm en hierover een draaispoelmeter
b   in de draad opgenomen koolweerstand van 1 Ohm en hierover een draaispoelmeter
     in serie met een diode  
c   dipmeter
d   staandegolfmeter
026

Om het opgenomen vermogen van de zender zo nauwkeurig mogelijk te meten, dient de weerstand van de respectievelijke meetinstrumenten te zijn:

a   A-meter laag / V-meter hoog
b   A-meter laag / V-meter laag
c   A-meter hoog / V-meter laag
d   A-meter hoog / V-meter hoog
027

Een frequentiemeting kan het meest nauwkeurig worden uitgevoerd met een:

a   frequentieteller
b   absorptiefrequentiemeter
c   oscilloscoop
d   dipmeter
028

Een 50 Ohm staandegolfmeter (SWR) is met 50 Ohm coaxkabels van elk 5 meter geschakeld tussen een zender en een belasting X.
In X bevindt zich een:

a   kortsluiting
b   weerstand
c   afgestemde kring
d   open einde
029

Een staandegolfmeter van 50 Ω is aangesloten tussen een zendontvanger en een 50 Ω coaxiale kabel met antenne.
De aanwijzing is 1.
Dit betekent dat de :

a   voor/achterverhouding van de antenne goed is.
b   demping van de kabel minimaal is
c   antenne aangepast is aan de kabel
d   uitgangsimpedantie van de zendontvanger 50 Ω is
030

De waarde van Rx is:

a   20 KΩ
b   90 KΩ
c  180 KΩ
d    30 KΩ
031

Bij het bepalen van het zendvermogen gebruikt men een kunstantenne (dummyload).
Deze kunstbelasting bevat altijd een:

a   zelfinductie
b   weerstand
c   antenne
d   capaciteit
032

Bij welke schakeling staat de wijzer van de meter precies op het einde van de schaal?

a   schakeling 3
b   schakeling 4
c   schakeling 2
d   schakeling 1
033

De voltmeter met een inwendige weerstand van 10 kilo-ohm per volt is ingesteld op het bereik van 10 volt.
De inwendige weerstand van de batterij is te verwaarlozen.
De voltmeter wijst aan:

a   3 V
b   4,5 V|
c   1 V
d   6 V
034

Voor het verkrijgen van een 10V- m en een 30V-meetgebied moeten R1 en R2 zijn:

a   100 KΩ   en   297 KΩ
b     97 KΩ   en   200 KΩ
c      97 KΩ  en    297 KΩ
d   100 KΩ   en   197 KΩ
035

De juiste impedantie-aanpassing van een antennesysteem wordt gecontroleerd met een:

a   veldsterktemeter
b   ohmmeter
c   staandegolfmeter
d   ampèremeter
036

Bij welke schakeling staat de wijzer van de meter precies op het einde van de schaal?
De meters mogen ats ideaalworden verondersteld.

a. schakeling 4
b. schakeling 1
c. schakeling 2
d. schakeling 3
037

Een staandegolfmeter voor 50Ω is aangesloten tussen een zendontvanger en een 50 Ω coaxiale kabel met antenne.
De aanwijzing is 1.
Dit betekent dat de:

a. voor/achter-verhouding van de antenne goed is
b. demping van de kabel minimaal is
c. uitgangsimpedantie van de zendontvanger 50 Ω is
d. antenne aangepast is aan de kabel
038

De inwendige weerstand van de ampèremeter bedraagt 1ohm.
De stroom door de weerstand R is gelijk aan:

a. 11/10 A
b. 10/11 A
c. 10 A
d. 1A
039

lndien een 3-30 MHz staandegolfmeter op UHF wordt toegepast dan zullen aflezing en nauwkeurigheid:

a. geheel niet betrouwbaar zijn
b. voldoende betrouwbaar zijn
c. alleen kloppen indien de aanwijswaarden door 10 gedeeld worden
d. alleen kloppen indien de aanwijswaarden met 10 vermenigvuldigd worden
040

Het uitgangsvermogen van de zender is:

a   200mW
b   400 mW
c   2 W
d   4 W
041

Bij welke schakeling is het spanningsverschil tyssen X en Y nul ?

a   bij geen van beide schakelingen
b   in beide schakelingen
c   alleen schakeling 1
d   alleen schakeling 2
042

Een voor gelijkspanning geijkte draaispoelmeter wordt via een diodebrug aangesloten op een sinusvormige wisselspanning van 1 Khz.
De meter wijst van de spanning tussen A en B aan:


a   de maximale waarde
b   de momentele waarde
c   de gemiddelde waarde
d   de effectieve waarde
043

Om het opgenomen vermogen van de zender te meten gebruikt men een voltmeter en een ampèremeter.
Het opgenomen vermogen bedraagt:

a   99,95 W
b   95 W
c   90 W
d   100 W
044

Over een meter worden vaak 2 siliciumdiodes tegengesteld parallel geschakeld.
Dit wordt gedaan om :

a   de meter te beveiligen tegen overspanning
b   de meter geschikt te maken voor het meten van wisselspanning
c   de karakteristiek van de meter te verbeteren
d   de meter geschikt te maken voor het meten van gelijkspanning
045

Een voltmeter met een meetbereik van 60 volt heeft een gevoeligheid van 10 KΩ/V.
Het meetbereik kan worden vergroot tot 300 Volt door een voorschakelweerstand van:

a. 2400 KΩ
b. 3000 KΩ
c. 40 KΩ
d. 50 KΩ
046

Een meetapparaat dat versterkers bevat voor horizontale - en veticale afbuiging is een:
a. oscilloscoop
b. ohm meter
c. amperemeter
d. signaalgenerator
047

De meest gebruikte impedantie van kunstantennes voor VHF is:

a. 100 Ω
b. 25 Ω
c. 300 Ω
d. 50 Ω
048

Instelling oscilloscoop:
Horizontaal: 4 musec/schaaldeel
Vericaal:      25 V/schaaldeel
Uit dit beeld leidt u de waarden af:

a   f = 40 Khz          Ueff = 25 V
b   f = 62.5 Khz       Ueff = 35 V
c   f = 80 Khz          Ueff = 50 V
d   f = 160 Khz        Ueff = 71 V
049

Het beoordelen van de onderdrukking van harmonischen van een zender gaat het beste met een:

a   frequentieteller
b   spectrum analyser
c   staandegolfmeter
d   oscilloscoop
050

De schakeling wordt gebruikt voor het meten van een wisselspanning met een frequentie van 50 Hz.
De draaispoelmeter, die voor gelijkspanning geijkt is, meet van de gelijkgerichte spanning:
a   de effectieve waarde
b   de gemiddelde waarde
c   de topwaarde
d   het kwadraat van de effectieve waarde
051

De staandegolfmeter (SWR) is gemaakt voor een impedantie van 50 Ω.
De antenne-aanpassingseenheid (ATU) wordt zo afgeregeld dat de staandegolfmeter 1 aanwijst.
Er is nu een staandegolfverhouding van 1 bereikt in:

a   alleen kabel 1
b   kabel 1 en kabel 2
c   alleen kabel 2
d   niet in de kabels
052

Als een digitale universeelmeter als spanningsmeter wordt gebruikt is de ingangsweerstand:

a   laag
b   nul
c   zeer hoog
d   10 KΩ
053

De amperemeter wijst aan:

a   25 A
b   7.2 A
c   20 A
d   0.2 A
054

De voltmeter heeft een inwendige weerstand van 200 Kilo-ohm.
Wanneer de spanning tussen X en Y met deze voltmeter wordt gemeten, bedraagt de meetfout ongeveer:

a   10%
b   2%
c   40%
d   20%
055

De gemiddelde stroom door de amperemeter is

a   0.8 A
b   1.14 A
c   1.2 A
d   1 A
056

Een oscilloscoop, aangesloten op de antenne-aansluiting van een zender welke gemoduleerd is met spraak, vertoont het getoonde beeld.
De zender is:

a   een AM-zender
b   een EZB-zender met volle draaggolf
c   een EZB-zender met onderdrukte draaggolf
d   een FM-zender
057

Aan een milli-amperemeter met een eigen weerstand van 50 ohm en een meetgebied van 0.5 mA wordt een weerstand van 5 ohm paralllel geschakeld.
Bij volle uitslag van de meter is de totale stroom door deze meetschakeling:

a   5.5 mA
b   4.5 mA
c   5 mA
d   0.55 mA
058

Een staandegolfmeter voor 50 Ohm is aangesloten tussen een zender en een 50Ohm kabel.
De aanwijzing is 1.
Dit betekent dat de:

a   antenne aangepast is aan de kabel
b   demping van de kabel minimaal is
c   uitgangsimpedantie van de zendontvanger 50 Ohm is
d   voor/achter verhouding goed is
059

Het signaal uit de signaalgenerator heeft een constante amplitude en doorloopt de frequentieband van 100 Hz tot 100 kHz.
De aanwijzing van de buisvoltmeter verloopt daarbij ongeveer zoals in:

a   grafiek 1
b   grafiek 4
c   grafiek 2
d   grafiek 3
060

De voltmeter heeft een inwendige weerstand van 200 kilo-ohm.
Wanneer de spanning tussen de punten X en Y met deze voltmeter wordt gemeten, bedraagt de meetfout ongeveer

a     2 %
b   20 %
c   10 %
d   40 %
061

De voltmeter wijst aan:

a   6 V
b   12 V
c   3 V
d   0 V
062

Met de schakeling worden achtereenvolgens vier signalen met gelijke amplitude gemeten.   
De grootste uitslag treedt op bij:

a   3
b   2
c   1
d   4
063

De juiste impedantie-aanpassing van een antennesysteem wordt gecontroleerd met een:

a   veldsterktemeter
b   staandegolfmeter
c   ampèremeter
d   ohmmeter
064

Met de schakeling wordt de peak envelope power (PEP) van een enkelzijbandzender gemeten.
De condensator moet een waarde van ongeveer 2µF hebben om:

a   de aanwijzing de snelle veranderingen van de modulatie te laten volgen
b   uitstraling van harmonischen door de meter te voorkomen
c   de aanwijzing onafhankelijk te maken van de golfvorm van de onhullende
d   de effectieve waarde van de HF wisselspanning te meten.
065

Een staandegolfmeter voor 50 Ω meet een staandegolfverhouding van 1
op een coaxiale kabel van 50 Ω  wanneer deze is afgesloten met een:

a   reactantie
b   hoge impedantie
c   kortsluiting
d   weerstand van 50 Ω
066

Een voltmeter met een gevoeligheid van 10KΩ/v is via een onbekende weerstand aangesloten op een spanning van 20 volt.
Als de meter op het 10 volt bereik staat, wijst deze 5 volt aan:
De waarde van de onbekende weerstand R is:

a   300 KΩ
b    50 KΩ
c   150 KΩ
d   100 KΩ
067

De voltmeter wijst aan:

a   5 v
b   2 v
c   10 v
d   0 v
068

Een laagfrequent-oscilloscoop heeft een ingangsimpedantie van 1 MΩ parallel met 20 pF.
Men meet met een afgeschermde kabel van 100 pF per meter met een lengte van 80cm.
Het meetpunt wordt nu belast met:

a   1 MΩ en 100pF
b   1 MΩ en 20 pF
c   1 MΩ en 120 pF
d   1 MΩ en 16 pF